Als hij langskomt hoor ik hem roepen in zijn helm. Ziedend. Ik kan hem niet verstaan maar hij is vooral niet blij. Aan de leiding rijdend wordt hij door moeder Tessa naar de kant gedirigeerd en vermanend toegesproken. Bij een sprong deed hij, niet eens per ongeluk, zijn beide benen even los. Zomaar voor de fun. Omdat hij   het kan. Moeder schrok ervan. Hij komt meteen de baan uit en smijt kwaad zijn handschoenen in de lucht. ‘Ik lag eerste!’, roept hij verontwaardigd, ‘en nu ben ik laatste geworden!’. Hij huilt niet maar het scheelt niet veel. Als zijn moeder naar hem toe wil lopen loopt hij kwaad weg. Achter de camper staat hij in een struik stoom af te blazen. Niet begrijpend dat zijn moeder zoiets kan doen. Ik sta erbij maar loop even weg. Begrijpelijk dat hij even alleen wil zijn.

Als ik wat later terug bij de camper kom is hij alweer wat bedaard. Moeder heeft geprobeerd vrede te sluiten. ‘Ik ben nog kwaad tot morgen’ had hij gezegd. Vader Ronald lacht om het tafereel. ‘Zo was ik vroeger ook, precies hetzelfde’. ‘Ik sloot me dan een uur op in de bus, dan ging het wel weer’. Boaz reed vandaag voor de vijfde keer in zijn loopbaantje. Ok, het was geen wedstrijd en reed zijn rondjes op de minibaan maar toch. De spirit is in elk geval heel duidelijk aanwezig. Ook broertje Levi heeft de crossgenen van zijn vader. Mooie stijl, allebei. Mooie stijl en vooral geen schrik…