Het verhaal gaat dat mijn vader vroeger gecrossd heeft. Ik heb heel vaak stiekem de zolder afgezocht naar bewijsmateriaal maar het nooit gevonden. Het ging er in die tijd net even anders aan toe dan tegenwoordig.
Ze reden met de “crossmotor” gewoon over straat naar het desbetreffende circuit en sloopten daar alles van de motor af om maar zo veel mogelijk gewicht te besparen. Geen idee of hij ooit iets gewonnen heeft maar ik weet wel dat hij het virus bezat. Dat werd me al heel snel duidelijk. Hij sleepte me overal mee naar toe. We gingen naar evenementen wat later Grand Prix wedstrijden bleken te zijn geweest. In het begin was ik heel druk met het verzamelen van lege limonade flesjes waarvoor ik 10 cent per stuk kreeg bij de drankkraam. Later begon ik de helden te herkennen, mijn helden. Als ik stond te kijken wilde ik zo graag op zo’n motor rijden dat ik allemaal rare gedachten kreeg. Ik dacht bijvoorbeeld dat als er eentje zou vallen, in de bocht waar ik stond, dat hij dan waarschijnlijk niet verder kon rijden. Dat die coureur mij aan zou kijken en zou vragen of ik de wedstrijd uit wilde rijden. Dat dacht ik echt.
Mijn vader had in die tijd een grossierderij in vis conserven en had een klant in Oost Souburg waarvan de zoon crosste, Leo Ovaa genaamd. Ik ging in mijn schoolvakanties vaak met mijn vader mee en kon niet wachten tot we in Oost Souburg waren. Misschien zag ik hem wel lopen, of zijn motor staan in de schuur. Ik weet nog dat ik een oude crosshandschoen in een gang zag liggen, zo een met zo’n hoge rubberen rand er op. En ook al ben ik geen dief, die had ik zo graag willen hebben.  Alleen het feit dat die waarschijnlijk van de hond was heeft me toen tegengehouden. Stel je voor, een echte crosshandschoen en dan ook nog eens van Leo Ovaa! We gingen ook vaak naar zijn wedstrijden kijken. Dan loofde mijn vader 15 gulden uit als Leo bij de eerste drie zou eindigen, wat vervolgens ook uit de speakers galmde. Ik weet nog dat Leo, volgens mij altijd rijdend met nummer 74, een keer zijn motor kapot reed halverwege een hele goede race. Lopend kwam hij met zijn motor de heuvel op, moe en modderig. Die vijftien gulden heeft hij toen alsnog gekregen.  “Als pleister op de wonde” , hoor ik mijn vader nog zeggen. Leo Ovaa was mijn held en dat weet ie volgens mij niet eens. Vanaf toen was 74 mijn geluksnummer en plakte het dan ook op het deksel van een emmer die ik voor op mijn fietsstuur had gebonden. Waar we ook heen gingen welke cross dan ook, wilde ik weten of Leo mee deed. Alleen dan was het interessant want die konden “wij”.
Mijn vader had het virus en heeft mij er flink mee besmet. Zijn missie was voltooid want ik was om, en goed ook. Ik heb een mooie en leuke crosstijd mee mogen maken en mezelf indertijd opgewerkt naar een leuk hobby niveau. Op m’n fiets was ik altijd Leo Ovaa, maar dat ben ik nooit geworden. Wat Leo ook nooit geweten heeft is dat mijn hoogtepunt in mijn “cross carrière” het moment was dat ik in Vlissingen met hem aan het starthek mocht staan. Hij was mijn held en dat was mijn droom. Ik ben gestopt omdat het niet meer ging en weet inmiddels dat Leo ook niet meer rijdt. Hij heeft een mooie motorzaak in Oost Souburg, “Ovaa Motors” genaamd en sleutelt daar samen met zijn twee zoons aan oude en nieuwe motoren en scooters. Zijn zoons, Casper en Steven, crossen ook en doen dat zeer verdienstelijk. Ik volg ze een beetje, maar dan vooral via Facebook en kom ze wel eens tegen op de cross. Hele beleefde en vriendelijke jongens, echt kinderen van hun vader, en als ik ze zie rijden denk ik weer aan toen.
Jongens als zij zijn nu de helden van mijn twee zoontjes die ook al wel een beetje geïnfecteerd lijken te zijn.

Wel een infectie maar niet naar de dokter, laat ze maar…