“Nog een rondje pap”

Joël komt langs rijden op het rechte stuk, daar waar zijn vader staat te kijken. Zijn vader raapt hem niet op als hij valt, pusht hem ook niet. Het enige dat hij doet is zijn vinger opsteken. Nog 1 rondje en dan even er uit. Joël ziet het en rijdt nog een rondje.

Als Joël weer voorbijkomt steekt hij zelf zijn vinger op. “Nog een rondje” geeft hij aan en rijdt verder. Zijn vader schudt zijn hoofd. Als hij weer voorbijkomt maant zijn vader hem naar de kant. Weer steekt Joël zijn vinger op; “Nog een rondje pap”, lijkt hij te zeggen, en rijdt er nog een. Althans dat was zijn bedoeling. De enige reden dat hij er uit moest van zijn vader was om te tanken, meer niet. Als hij ergens achterin op de baan in het zware Lommelse zand tot stilstand komt weet zijn vader genoeg en loopt naar de bus.

Dan moet hij het nu zelf maar oplossen. De tank is leeg dus dat wordt duwen.

Pas na een half uur is hij terug met zijn motortje. Helemaal gesloopt zet hij het lege ding tegen de bus. Zijn vader zegt niks en denkt, “nu zal het wel even klaar zijn”. Niets is minder waar want op het moment dat kleine Joël zijn tank weer vol heeft pakt hij zijn bril en start zijn motor. “Wat ga je nu doen?”, vraagt zijn vader verwonderd. “Ja, rijden!”, zegt Joël en is weer weg. Rondjes rijden, alleen maar rondjes rijden.

“Dit jaar had ik voor mijn gevoel nog voor verrassingen kunnen zorgen”

“Het rijden zelf is ook eigenlijk het enige mooie voor mij geweest in de jaren dat ik crosste. Rijden en als het even kon winnen”. Al het andere er omheen deed me eigenlijk niet zo veel. “Ik wilde gewoon op de motor zitten”. Rond mijn 13e kregen zijn ouders in de gaten dat er eigenlijk geen weg meer terug was en brachten hem naar de wedstrijden. Zijn schoolprestaties leden wel onder zijn passie. “Ik was alleen maar met de cross bezig, verder niks”. Lopen, fietsen en naar de sportschool. Dat alles in plaats van huiswerk. In het begin haalde hij nog wel redelijke punten maar dat liep langzaam maar zeker terug tot niks. Omdat al vrij snel bleek dat hij beter presteerde op de motor dan op school heeft hij dat door kunnen en mogen zetten van zijn ouders. Het ging allemaal heel snel waardoor hij op zijn 17e al proffessioneel zijn zo geliefde sport beoefende. Onder de vleugels van Joël Smets genoot hij een goed salaris en kon hij een hele week doen wat hij het liefste deed en ook nog eens het beste in was,  crossen. De groei zat er goed in en na twee jaar in het team van Joël Smets te hebben gereden stapte hij over naar het team van Kees van der Ven. “Van die man heb ik vreselijk veel geleerd, echt.” Na een jaar keerde Joël toch weer terug naar het Team van Smets en de successen bleven niet uit. Harder, sneller en beter ging het tot het moment dat hij zich aan wist te sluiten  bij de wereldtop. “Dit jaar had ik voor mijn gevoel nog voor verrassingen kunnen zorgen”, zegt hij wegdromend. Hij was weer terug in contact met Kees en dat gaf hem een goed gevoel. “Het was ook goed.”

“Positief denken en keihard werken”

Joël vraagt me of ik wat wil drinken en achteraf onbewust wil ik  het hem niet te moeilijk maken. Er staat immers al een fles water op tafel. “Een Senseootje heb ik ook hoor” zegt hij lachend en manouvreert zijn sportieve rolstoel handig rond de tafel. “Mensen willen me graag ontzien en het mij makkelijk maken, maar dat haat ik”. Natuurlijk besef ik dat het allemaal heel goed bedoeld is maar ik heb er niks aan.” Alles moet zo veel mogelijk op eigen kracht vindt hij. In zijn huis is dan ook helemaal niets aangepast. Het enige wat hij graag wil en er ook binnenkort zal komen is een traplift. “Ik wil ook wel eens boven kijken”, zegt hij gekscherend. “Als de trapleuning het toe zou laten zou ik het nog wel handmatig willen proberen”. Hij wil zichzelf blijven prikkelen. Hij moet. “Ik ben pas 25 en moet nog een heel leven. Ik zou het niet kunnen verkroppen de rest van de tijd afhankelijk te zijn van anderen.” Hij kan ook heel slecht tegen zeurende mensen. “Natuurlijk hebben sommigen het zwaar, dat begrijp ik best maar het helpt je niet om je er bij neer te leggen en te blijven treuren. Als je maar blijft denken aan alle dingen die je voorheen graag deed en nu niet meer kunt zak je alleen maar steeds verder af.” “Positief denken en keihard werken, dan is alles mogelijk”, is Joëls devies. Dat geldt volgens hem ook voor crossers. Ook jongens en meisjes met wat minder talent kunnen door hun volle overgave nog heel ver komen. Op diezelfde manier is er ook al heel veel talent verloren gegaan omdat de inzet miste.

“Dan ben ik binnen vijf minuten klaar”

Sommigen, in een soortgelijke positie als Joël   gaan lezingen geven over hoe je je kracht en levensmoed weer kunt hervinden. “Knap en voor sommigen zeker waardevol, maar dat zou ik echt niet kunnen. Dan ben ik binnen vijf minuten klaar.” Hij begrijpt wel dat veel lotgenoten zich op kunnen trekken aan mensen zoals hij. “Een positieve instelling, dan ben je zeker al halfweg, wat je ook gaat doen.”

“In het revalidatiecentrum leerde ik een vrouw van 50 jaar kennen die me vertelde dat ze soms ook moeilijke momenten had. Ik heb haar niks geleerd maar ik merkte op een gegeven moment wel dat ze zich aan me optrok. Door hoe ik daar was en me “staande” hield is ze zelf ook positiever gaan denken en doen. Ze zat er al 6 maanden en volgens de artsen zou het ook nog wel even gaan duren maar uiteindelijk kon ze daar gelijk met mij afscheid nemen. Eenmaal thuis kreeg ik een bedankbrief van haar. Het werkt dus wel.”

“Respect heb ik voor m’n lief”

Het verwonderde me een beetje dat hij met me af wilde spreken. Joël krijgt megaveel aandacht op het moment. Dat was al meteen vanaf de dag na zijn fatale val. Op zich heel erg lief allemaal en natuurlijk deed en doet hem dat erg goed. “Nu ben ik wel op een punt dat ik niet meer zit te wachten op een telefoontje met, “Het komt allemaal wel goed”. Ik ben daar al ver voorbij.” Geen medelijden alsjeblieft. Respect mag, maar ook dat vindt hij niet eens nodig. “Ik ben zoals ik ben en alles gaat haast vanzelf.” “Respect heb ik voor m’n lief.” Hij heeft geen keus meer maar zij nog wel. “Ik heb haar ook gezegd dat als ze voor een leven zonder mij had gekozen, ik daar alle begrip en respect voor had gehad.” Het is ook niet niks natuurlijk. Hij heeft haar niet weggestuurd maar wel de keus gelaten. “Ze heeft toch voor mij gekozen en daar ben ik haar zeker heel dankbaar voor.” We leiden nu toch wel een behoorlijk aangepast leven en veel van onze eerder gemaakte plannen hebben we bij moeten stellen. “Over kinderen hebben we natuurlijk wel eens nagedacht en gesproken maar we zijn nog erg jong natuurlijk. Ook al ben ik nu verlamd, alles is nog steeds mogelijk. Dus als het ons gegeven mag zijn ook kinderen verwekken.” Joëls vriendin heeft het al eens over een hondje gehad maar daar is hij niet echt op ingegaan. “Als ze over kinderen begint geef ik haar eerst een hondje. De rest zien we daarna wel”, lacht hij hard.

“Ik klapte er voorover af en brak mijn rug. Dat was ‘t”

Over zijn val is al veel gesproken en is hij ook redelijk kort. “Ik wilde “mijn tijd zetten” en kwam in de bocht voor de inmiddels beruchte schans. Ik wilde hem eigenlijk helemaal niet in één keer springen dus nam hem aan de binnenkant omdat dat op dat moment sneller leek. De bocht ging zo perfect dat ik er veel harder uit kwam dan ik gepland had. In een fractie van een seconde moest ik beslissen wat ik zou doen, springen of niet. Het flitste door mijn hoofd dat ik hem door die hogere uitkomsnelheid toch wel zou kunnen halen en besloot er voor te gaan. Met het gas helemaal open lanceerde ik mezelf. Een halve meter kwam ik tekort en plofte in de zompige ondergrond. Ik klapte er voorover af en brak mijn rug. Dat was ‘t.”

“Je moet het uiteindelijk toch allemaal zelf doen”

Eenzaam is Joël niet. Hij zorgt dat zijn dagen net iets te vol zitten. “Als je een hele dag alleen thuis zit ga je automatisch zitten nadenken, dat wil ik niet. Als ik hem vertel dat het door zijn overpositieve gedrag en instelling soms net lijkt alsof hij blij is met zijn “handicap” moet hij ook weer lachen. “Dat heb ik al meer gehoord en dat begrijp ik ook wel”. Al vrij snel keerde Joël het verdriet om in iets positiefs. Positief ben ik altijd geweest. Altijd alles met volle overgave, wat ik ook deed en nu doe. Zo ben ik al snel gaan kijken wat er allemaal nog mogelijk was voor mij. Dat heeft helemaal niks met geld te maken maar alles met je instelling. “Zoals het ook in de cross geldt, je moet het uiteindelijk toch allemaal zelf doen”. Hij traint zich op het moment helemaal verloren. “Eigenlijk train je in zo’n positie als de mijne een hele dag door”. Vanaf het moment dat hij uit bed komt is hij bezig met zichzelf in balans te houden. Alles komt nu uit zijn armen. “Het moeten mijn nieuwe benen worden”. Sinds kort zijn er “bionische” benen beschikbaar. Niet alleen voor hem maar voor iedereen. Het is een pas ontwikkelde theraphie methode. Het klinkt raar maar het beste voor het lichaam van een “rolstoeler” is staan. Een lichaam heeft dat gewoon nodig. Juist omdat dat niet gaat zijn deze benen een uitkomst. Ze zijn dan ook beschikbaar voor iedereen en helpen je het meeste uit je lichaam te halen. Er gaan verhalen rond dat ze voor mij zijn aangeschaft, maar dat is zeker niet zo. “Er gaan zo veel verhalen rond”. “Die zullen er altijd zijn, of je nu verlamd bent of niet”. “Het zijn de beperkingen van degene die zulke verhalen de wereld in brengt denk ik dan maar”. Hij houdt zich er dan ook niet mee bezig. “Ik weet hoe het zit en da’s voor mij meer dan genoeg”.

“Dat gaat me niet gebeuren, geloof me maar”

Het enige wat hij nog mist in zijn reis naar onafhankelijkheid is een auto. Die wordt op dit moment aangepast. “Dan heb ik alles”, zegt hij met een tevreden blik. “Ik zorg wel dat ik fysiek zo veel mogelijk in conditie ben. Stel je voor dat ze binnen nu en een aantal jaren ineens iets ontwikkelen waardoor ik weer zou kunnen lopen. Dan zou ik af moeten haken omdat de rest van mijn lichaam te zwak is geworden en het niet meer aankan. Als je

jaren achtereen in je stoeltje blijft zitten ga je heel hard achteruit. Zo hard dat je zelfs met gezonde benen niet meer zou kunnen lopen. Dat gaat me niet gebeuren, geloof me maar.”

Als ik niet had gecrossd was ik zeker dezelfde persoon geweest als nu. Ik was altijd al erg positief ingesteld en hard voor mezelf. Ik kan ver gaan en dat is nu wel een voordeel. Natuurlijk maakt de cross sport je wel onafhankelijk op een bepaalde manier. Het is een individuele sport en alles wat je er in bereikt heb je uiteindelijk aan jezelf te danken, dus dat zal er zeker aan mee werken.

“Ga je nog wat leuks doen vandaag?”, vraag ik hem terwijl ik de keuken uitloop en hij voor me uit rijdt. “M’n broer Axel komt straks pingpongen”, zegt hij blij. Aan Axel heeft hij ook veel steun en die helpt en begeleid hem dan ook zo veel als mogelijk is.

Handig en kort langs het stuc en schilderwerk rijdt hij zijn rolstoel door de gang naar de voordeur. “Kijk maar uit dat je niks raakt” zeg ik nog maar dat blijkt geen probleem.

“Haha, mijn vader heeft een schildersbedrijf he, weet je nog…