De zon schijnt fel in mijn donkere brilleglas. Ik geniet van de vrijheid die mijn motor me geeft. Als ik een viaduct nader stuur ik de grasberm in. Net voor de vangrail begint duik ik naar beneden. Het is wel een sloot maar zonder water. Ik kijk naar boven en zie, door mijn snelheid, de grasheuvel snel groter worden. Er loopt helemaal bovenaan het viaduct een vangrail dwars. Benieuwd of ik het topje al dan niet zal raken ga ik ervoor. Ik voel bij het loskomen een klein tikje tegen mijn achterwiel maar het brengt me niet uit balans. Even zweef ik in alle rust door de warme lucht, over het asfalt om vervolgens weer netjes in de glooïng aan de andere kant neer te komen. Het gaat dus wel, zoals ik al verwachtte. Een stukje verder rij ik langs een aspergeperceel. Ik vraag me af wat er zal gebeuren als ik dwars, volle bak, het veld oversteek. Ik draai af en trek mijn motor over de sloot die ervoor ligt. Ik schakel op tot ik op volle snelheid ben. Alleen mijn achterwiel raakt de topjes van de bedding. Als ik aan de overkant ben keer ik en rij dezelfde weg terug. Ik doe de rit nog eens dunnetjes over. Mijn voorwiel raakt misschien twee keer de grond voordat ik weer via de aangrenzende sloot terug de snelweg op schiet. Een waanzinnige kick gaat door mijn lijf. Enkele gestopte automobilisten staan verbaasd aan de kant te kijken. Ik trek een wheelie, doorschakelend naar 4 en kijk om. Alleen een modderspoor en wat verdwaasde toeschouwers zijn getuige. Eentje wijst naar zijn voorhoofd. ‘Wist je maar hoe het voelt’ denk ik nog en zet m’n machine weer aan de grond. Als ik bijna thuis ben wil ik het laatste stukje binnendoor. Ik draai de snelweg af en zie naast me een dieper gelegen grasveld. Vanuit het veld loopt het omhoog naar de verharde weg. Omdat het in een bocht ligt is er onbedoeld een mega grote kombocht ontstaan. Ik rij nog een stukje verder en draai dan om. Ik schakel door tot 3 en zwenk het gras op. Ik duik naar beneden en schakel door naar 4. De kom is zo perfect dat ik er zonder problemen vol gas doorheen kan. Ik voel me een steile wand rijder en geniet. Schuim op m’n mond.

Thuisgekomen parkeer mijn bus voor het huis. Ik doe de garage open en kijk nog even naar m’n motor. Morgen nog een dagje en dan mogen we weer. Crossers crossen altijd. Iedere dag…