Mike Kras is relaxed. Een “achterstevorencap” met bijpassende zonnebril typeert de crosser. Geen prater zoals hij zelf zegt, en zijn moeder beaamt. We zitten achter buiten waar de zon lekker brandt. Fijnaart is een rustig dorpje en dat merk je dan ook meteen.
Onverwacht fit loopt hij rond en haalt drinken voor ons. “een zorgzaam typ” zegt zijn moeder als hij even in de keuken is. “Mike heeft vanaf zijn 15e al voor zichzelf leren zorgen”.
“Mike zat al vroeg op de motor”, zo begint zijn moeder. Op zijn vijfde verjaardag stond er dan ook een crossertje in de tuin. ”Toen ik Mike kreeg heb ik meteen gezegd; “dit moet een crosser worden”. Mike’s moeder was in die tijd een groot fan van Tallon Vohland. Een toen opkomend talent. “Een mooi en vooral sympathiek mannetje”, zegt ze glunderend. Een crosser heeft ze gekregen, want Mike ragde alles af wat hij onder zijn kont kreeg. Een natuurtalent wordt over het algemeen snel opgemerkt en ingelijfd. Vandaar ook dat Mike, die in die tijd alles won waar hij aan meedeed, al snel opviel bij diverse crossteams.
Met zijn 15 jaar werd hij dan ook “weggehaald” uit zijn ouderlijk huis om in Friesland zijn, dan al succesvolle, carriere uit te bouwen. “Ze zouden goed voor hem zorgen, althans dat beloofden ze me” zegt zijn moeder en kijkt bedenkelijk omhoog. Aangezien Mike geen prater is heeft hij lang gedaan wat er van hem verwacht werd, zonder verontrustende meldingen huiswaarts te maken.
De lol van het crossen was er voor Mike al snel af. De romantiek, het plezier van het rijden raakte zoek en kwam ook niet terug. Een grote druk rustte bijna constant op zijn schouders en daar had hij veel last van. Mike presteerde daarom ook veel beter als hij geen stress had. Als er niks moest en (bijna) alles mocht reed hij de sterren van de hemel.
Ja, Mike is een natuurtalent.” Op de een of andere manier weet ik precies wat ik met mijn motor kan en voel dingen vrijwel meteen aan”. Dan hoorde ik bijvoorbeeld een bepaald geluidje onder het rijden. Stopte bij mijn monteur en meldde mijn probleem. “Niks aan de hand, ik hoor niks, rijden!” was het antwoord. Twee ronden verder ontplofte het ding zowat. “Als er iets is voel ik het meteen, altijd”. Zonder stoer of arrogant te willen zijn durf ik wel te zeggen dat ik een hele goede motorbeheersing heb. Ik bepaal waar ik los, en vervolgens weer neerkom. “Een fijn gevoel waardoor je je niveau behoorlijk op kunt schroeven” aldus Mike.

Mike wordt ook wel “de kogel” genoemd. Hij dankt zijn bijnaam aan zijn geweldige starttechniek. Praktisch altijd bij de eerste drie weg. Bij een “slechte” start zit hij nog steeds bij de eerste tien.
“Het lijkt allemaal zo prachtig voor de buitenstaander” zegt Mike en terecht. Het lijkt inderdaad geweldig, ook in mijn ogen, maar er is dus wel een vette keerzijde aan deze medaille. Het “moeten” stond hem het meest tegen. Hij was “in dienst van” dus moest heel veel en mocht veel minder.
Voor Mike was het al die jaren niets meer dan, veelal onderbetaald, werk, zoals wij naar kantoor of de werkplaats gaan. Hij wist niet beter dan crossen. Dag in dag uit, tot het bijna tegen ging staan.
De laatste vijf waren eigenlijk zijn mooiste jaren en heeft hij het goed naar zijn zin gehad. Door John Beijer werd hij gevraagd voor hem te komen rijden en Mike kon zijn eigen gang gaan. Geen druk, gewoon lekker rijden. Het plezier kwam terug en hij presteerde ook gelijk een stuk beter. Ondanks dat blijft er toch een tijd van komen en een tijd van gaan.
Zijn verhaal is voor mij moeilijk te begrijpen. Jarenlang crosste ik met grootse plannen voor de toekomst op ondermaats niveau. Wij, mijn vrienden en ik, gingen het natuurlijk maken in de cross. Aan vechtlust ontbrak het me niet, alleen was het benodigde talent niet aanwezig. Juist daarom is het zo onwerkelijk te horen dat je het gewoon beu kan zijn, ook al barst je van het talent.
Mike wist al dat dit zijn laatste seizoen zou worden. Als ik die laatste keer niet zo hard gevallen was zou ik sowieso gestopt zijn na dit seizoen. Die enorme crash heeft mijn beslissing alleen maar versneld en zeker makkelijker gemaakt. De letsels waren dermate ernstig dat ik voor hetzelfde geld nu in een rolstoel had gezeten. Nooit meer kunnen lopen en een zeer beperkt leven leiden schrok Mike Wazowski dermate af dat zijn besluit eigenlijk al meteen gemaakt was.
“Ik ga er niet meer op” zegt hij met een relaxte en vastbesloten blik en kijkt me aan. “Ik ben er klaar mee en voor” .

“Ik ben nog aan het denken welke kant ik uit wil, maar neem er mijn tijd voor”. “Al een paar jaar dacht ik: wat als ik klaar ben met de cross. Wat als ik wil of wellicht moet stoppen. Wat dan?”
Op dat punt stop je dan ook met denken, en ieder seizoen kreeg hij weer een nieuwe aanbieding of verlenging van zijn contract en dacht dan, “Nog een seizoen en dan kap ik”.
Het lot heeft hem een handje geholpen. Nog steeds is het onwerkelijk te zien dat zo’n talentvolle kerel kan zeggen, “ik stop ermee”
Mike leefde de jongensdroom van mij en vele anderen. Mike heeft het allemaal gezien en meegemaakt. Hij hield er een berg goede en echte vrienden aan over en zag veel meer van de wereld dan menig man van zijn leeftijd. Al met al heeft hij nu een mooie en kostbare zak zorgvuldig verworven bagage die hem zeker nog van pas gaat komen in zijn verdere leven en loopbaan.
Het is een nette welbespraakte jongen. Is altijd een ambassadeur geweest voor zijn sport en zal zeker goed terecht komen.
Op mijn vraag of hij nu eigenlijk nog wat heeft overgehouden aan zijn 20 jarige succesvolle carriere wijst hij trots naar de poort in de houten schutting.
“Ik heb mijn bus verkocht en de gesponsorde spullen netjes teruggebracht naar de mensen die me altijd bijgestaan hebben”. In voor en tegenspoed stonden ze voor me klaar en daar ben ik dankbaar voor. Van het opgebrachte geld kocht hij een mooie bolide. Met glanzende ogen staart hij naar het kanon en er verschijnt een lach op zijn ontspannen gezicht.
Mike is gelukkig, ik zie het aan zijn gezicht. Misschien wel voor het eerst sinds jaren. Hij is gelukkig met zijn beslissing, zijn trouwe partner Indya en zijn mooie auto.
Een jonge vent met veel in zijn mars, een geweldige basis en nog een heel eind te gaan…
Succes Mike en bedankt voor al het mooie wat je de sport gegeven hebt.
Het ga je goed.

In mijn crosstijd heb ik nooit gerookt en het hevigste wat ik in die tijd gedronken heb is een Shandy geweest.
Na mijn mislukte knieoperatie ben ik nog een seizoen of anderhalf door blijven “modderen” tot ik er zelfs geen zin meer in had.
Redelijk bijzonder, temeer omdat motorcrossen jarenlang mijn lust en mijn leven was. Iedere keer maar weer een berg vocht erin en een slepende pijn door al dat vocht tussen mijn gewrichten. Uit een soort van frustratie ben ik in mijn “crossnadagen” regelmatig in het cafe beland. Mijn pa was er minder blij mee maar zo af en toe ging ik dan toch wel eens wat drinken met m’n maatjes.
Het was op een zaterdagavond voor een clubwedstrijd in Dordrecht dat ik besloot nog even bij een van m’n vrienden langs te gaan. Het plan was natuurlijk de kroeg, maar dat durfde ik hem toen niet te vertellen.
“Ben je wel op tijd thuis, we moeten vroeg vertrekken morgen” zei hij nog voor ik de deur dichttrok. “Jazeker, komt goed” antwoordde ik schijnheilig. Natuurlijk was het veel te gezellig en uiteindelijk kwam ik om 6 uur in de ochtend Halsteren weer binnenrijden. Hoe dichter bij huis, deste schuldiger ik me begon te voelen en besloot een bocht voor ons huis de motor van mijn auto af te zetten en mijn lichten uit te doen om vervolgens uit te bollen tot de voordeur. Sleutel niet helemaal terug in verband met het stuurslot.
Dat lukte allemaal. Aangezien ik schoenen droeg met leren zolen hoorde je die op straat dus die had ik voor het uitstappen al uitgedaan. Heel zacht drukte ik mijn portier in het slot en sloop als een dief de straat over. Heel voorzichtig schoof ik de sleutel in het slot en ik wist dat als ik de deur opendeed hij, na een centimeter of 20, begon te piepen. Als je de deur aan de kruk wat lichtte was dat piepen bijna niet meer te horen. Heel langzaam draaide ik de deur open en net toen ik de deurkruk vastpakte om hem wat op te lichten werd de deur opengetrokken.
Daar stond mijn vader! Hij keek me teleurgesteld aan en ik was klaar om een scheldkannonade te ontvangen.
Hij keek me nog eens goed aan en zei niets, geen woord, en liep naar buiten met zijn twee Rottweilers. De bus was al geladen, alleen de koelbox moest er nog in dus gespannen wachtte ik tot hij terug was. Hij keek me niet meer aan en zei niets, geen woord. De hele weg er naartoe hing er een gespannen sfeer in de cabine en ik had het allesbehalve naar m’n zin.
Spijt had ik ook, alleen al vanwege deze situatie. Ook op de cross aangekomen bleef het stil. Tussen de training en de eerste manche heb ik ‘m niet eens gezien en ik voelde de les die hij me leerde.
Nooit eerder was ik zo zenuwachtig als voor deze ene wedstrijd. Ik wist dat ik in de top vijf mee kon, en dat moest ik, zeker deze dag, waar maken. Gek genoeg was het de dag van mijn leven en alles lukte. Uiteindelijk mocht ik de tweede beker mee naar huis nemen en ben volgens mij nooit zo blij geweest met een beker als met deze bewuste. Op de terugweg werd er niet veel gepraat, alleen het gebruikelijke en hoognodige, meer niet. Hij wist dat hij niks hoefde te zeggen en dat ik m’n les geleerd had.

Als hij niets zei, zei hij het meest…

“Is de baan open?” is een veelgestelde vraag op voornamelijk Facebook. Natuurlijk is het fijn te weten omdat je vaak toch nogal een stukje rijden moet voordat je je motor de sporen kunt geven. Vooral niet leuk is het dan om na alles ingeladen te hebben een uur later voor een dichte circuitpoort te staan. Over het algemeen is er goede en directe informatie vanuit de club. Anders is er altijd nog wel een 06 nummer beschikbaar waar de nodige informatie wordt gegeven. Aangezien ik net iets te veel tijd voor m’n laptop spendeer zie ik vaak de reacties voorbijkomen. Meestal is er respect voor een sluiting bij slecht weer. Soms ook niet. Verontwaardiging en onbegrijpelijke discussie’s komen dan voorbij. Dan denk ik aan de mannen die er altijd zijn. Te herkennen aan een clubshirtje zorgen zij ervoor dat alles in orde is. Zelf crossen ze vaak niet eens. “Gewoon” vrijwilligers die het een ander gunnen plezier te hebben van hetgeen ze doen, crossen dus. Als je er goed over nadenkt is het eigenlijk te gek voor woorden dat er dan nog commentaar kan zijn. “Baan ligt klote want er is niet gevlakt”. “Te veel gesproeid”, “Te weinig gesproeid”, “Op een verkeerd moment gesproeid”. Het baantje waar ik vaak kom ligt er altijd netjes bij. De poort gaat ruim voor de circuitopening open. Ze komen naar je raampje lopen om het broodnodige trainingsgeld in ontvangst te nemen. Er is tijdruimte gemaakt om de kleinere piloten veilig te laten rijden. Alles is geregeld door mensen die niet crossen, mannen en vrouwen met hart voor de club. Laatst stond ik achterin het rennerskwartier. Als een van de laatsten reed ik er af en zag wat er allemaal achtergelaten was. Naast de prullenbakken, overal lag wel wat. Er is volgens mij geen vastgestelde “van het terrein afrij tijd” dus niemand heeft haast. Als ik langs het busje rij van de “terreinbaas” zit die netjes te wachten tot iedereen weg is. Tot hij de poort weer op slot kan doen en als laatste huiswaarts kan keren. Ik doe mijn raampje open en wil hem bedanken. Hij is me voor. Hij lacht en zwaait naar mij en mijn zoontje. “Bedankt he” roept hij nog. “Jij bedankt” roep ik en zwaai terug.
Ja, hij wacht netjes tot iedereen weg is. Dan kan hij ook naar huis. Op naar het weekend, dan is hij er weer. Hij is er namelijk altijd.
“Bedankt jongens”…

Er wordt een auto gestart bij de buren van mijn moeder.
Een zwaar brommend geluid zoekt zijn weg door de bomen van het Wuustwezelse bos. Zeker tien minuten later hoor ik de deuren weer slaan en een spierwitte BMW M3 rijdt langzaam het terrein af.
Met een slakkengang maar wat hoger in toeren rijdt de bolide het zandpad af naar de hoofdweg, terwijl het automatische hek zich gehoorzaam sluit. Vanuit de tuin kijk ik hem na. Op het Belgische kenteken staat “kid”.
Ja, Kevin Strijbos woont naast mijn moeder. Als hij de hoofdweg opdraait gaat standaard het gaspedaal naar beneden. Tot ver in zijn derde versnelling blijf ik het geluid volgen tot het langzaam opgaat in de bosgeluiden.
Ik weet nog dat ik haar wat langer geleden belde en ze me vertelde dat het huis van de buurvrouw verkocht was aan een “crosser”. “Misschien kun je eens samen gaan rijden”, zei ze nog. Het sprak een tijd lang tot mijn verbeelding.
Ik, al heel mijn leven gek van motorcross, heb een moeder die gewoon naast Kevin Strijbos woont! Natuurlijk is Kevin ook gewoon een mens, maar toch. Altijd als ik hem zie zit hij in zijn witte kanon, kijkt opzij en zwaait vriendelijk.
Kevin is geen bravourmannetje. Een rustige kerel eigenlijk wel. Ik weet nog dat ik bij mijn moeder in de bank zat en er op het raam geklopt werd. Ik doe de deur open en er staat een jongetje in de schemer met een petje op waardoor ik zijn gezicht niet goed kan zien.
Ik dacht eerst aan de buurjongen van de andere kant, dus vraag hem wat er aan de hand is. Het mannetje vraagt of ik misschien mijn busje even opzij kan zetten omdat hij er niet langs kan. Ik schiet snel mijn schoenen aan en de jongen draait om en loopt voor me uit. Op de rug van zijn jas zie ik een groot “Hens” logo en diverse andere crossuitingen. Pas dan besef ik dat het Kevin is. Ik zet mijn bus opzij en loop naar hem toe. “Hee Kevin, nu zie ik het pas”, probeer ik en hij draait om. “Oh, kent u me dan” zegt hij schuchter. Ik leg hem mijn crossverleden, in een hele kleine notedop, uit en het verbaast me eigenlijk dat hij blijft staan en naar me luistert. Hij geeft antwoord en stelt me zelfs nog een vraag.
Op dat moment sukkelt hij met wat langslepende blessures, maar verzekert me dat het allemaal goed gaat komen. “Zeker en vast”. Hij weet dat ik twee jonge jongens bezit en stelt voor, een keer met z’n allen te gaan fietscrossen op de baan in zijn tuin achter het huis. De volgende dag laat hij zijn opa, die het landgoed onderhoudt, twee gesigneerde posters afgeven voor mijn jongens. Kevin is rustig, bedeesd, netjes, en vooral heel vriendelijk.
Een paar weken geleden had ik mijn moeder weer aan de telefoon. “Kevin is verhuisd naar Lommel” zei ze en ik baalde. Vraag me niet waarom want we waren geen vrienden. Misschien vond ik het wel gewoon stoer om te kunnen zeggen dat Kevin mijn moeders buurjongen was, ik weet het niet.
Nu mis ik het brommen van de M3. Zijn vriendelijke lach en zwaai als hij voorbij reed. Nu kan ik alleen nog zeggen dat hij ooit naast mijn moeder heeft gewoond, en dat klinkt al een stuk minder spectaculair. Kevin, veel succes, het ga je goed. Ik kende je amper maar toch mis ik je wel een beetje…